De hervormingen van 2026 hebben het re-integratietraject (RIT 3.0) opnieuw aangescherpt en tegelijk verduidelijkt wat er van werkgevers wordt verwacht bij langdurige arbeidsongeschiktheid.
Voor werkgevers met minstens 20 werknemers geldt voortaan een duidelijke verplichting: uiterlijk binnen de zes maanden arbeidsongeschiktheid moet een re-integratietraject worden opgestart.
Maar die verplichting is niet absoluut. Zonder akkoord van de werknemer kan een re-integratietraject enkel worden opgestart wanneer de preventieadviseur-arbeidsarts heeft vastgesteld dat er nog arbeidspotentieel aanwezig is. Is er géén arbeidspotentieel, dan vervalt de mogelijkheid om het traject op die manier te starten.
Dat maakt het onderzoek naar het arbeidspotentieel een cruciale schakel in het systeem. Werkgevers moeten immers tijdig kunnen aantonen of er al dan niet nog mogelijkheden tot werkhervatting bestaan.
Geen automatische verplichting op 8 weken
Een onderzoek naar het arbeidspotentieel kan ten vroegste worden opgestart vanaf 8 weken arbeidsongeschiktheid. Dat betekent echter niet dat er op dat moment een harde verplichting bestaat om dit effectief te doen.
Er staan bovendien geen rechtstreekse sancties op het niet aanvragen van een onderzoek arbeidspotentieel op zich.
Toch is dat slechts een deel van het verhaal.
De link met re-integratieverplichtingen
Voor werkgevers met minstens 20 werknemers wordt het wel belangrijk in functie van een andere verplichting: het re-integratietraject.
Ten laatste wanneer een werknemer 6 maanden arbeidsongeschikt is, moet de werkgever met minstens 20 werknemers een re-integratietraject opstarten, als de werknemer arbeidspotentieel heeft. Let wel, deze verplichting geldt enkel voor nieuwe arbeidsongeschiktheden vanaf 1 januari 2026.
Belangrijk hierbij is dat een re-integratietraject in veel gevallen pas kan worden opgestart wanneer de preventieadviseur-arbeidsarts heeft vastgesteld dat er nog arbeidspotentieel aanwezig is. Daaruit volgt een belangrijke praktijkregel:
Wie tijdig een re-integratietraject moet kunnen opstarten, moet ook tijdig het arbeidspotentieel laten onderzoeken.
Indirecte verplichting via de 6-maandenregel
Hoewel er dus geen rechtstreekse sanctie staat op het niet aanvragen van het onderzoek arbeidspotentieel, kan het niet uitvoeren ervan wél gevolgen hebben. Het onderzoek arbeidspotentieel wordt zo een noodzakelijke stap in het bredere traject, eerder dan een op zichzelf staande verplichting.
Belangrijke nuance: werkhervatting herstart de termijnen
Een werkhervatting heeft bovendien impact op de timing van deze verplichtingen.
Zowel de 8 weken voor het arbeidspotentieel, als de 6 maanden voor het re-integratietraject, beginnen opnieuw te lopen zodra de werknemer het werk hervat, zelfs bij een korte werkhervatting.
Dat maakt opvolging in de praktijk soms complexer dan verwacht.
Tegelijk is het systeem niet oneindig herhaalbaar binnen de eerste zes maanden. De regelgeving voorziet niet in een verplichting om het arbeidspotentieel herhaaldelijk te laten onderzoeken gedurende die periode. En eens de grens van zes maanden is bereikt, verdwijnt het momentum: er geldt dan niet langer een verplichting om het arbeidspotentieel te laten onderzoek / een re-integratietraject te starten.
Besluit
Het onderzoek arbeidspotentieel is dus geen automatische verplichting na 8 weken ziekte, maar maakt wel deel uit van een ruimer wettelijk kader rond re-integratie. Voor werkgevers vanaf 20 werknemers wordt het in de praktijk vaak wel een noodzakelijke stap om tijdig en correct aan hun re-integratieverplichtingen te kunnen voldoen.

