Het Regeerakkoord 2025 kondigde aan dat er een verplicht veralgemeend Mobiliteitsbudget zou komen vanaf 1 januari 2026. De “salami-techniek” wordt daarbij toegepast: eerst wordt gefocust op de verplichting (fase 1), daarna op de veralgemening (fase 2).
Tijdens de Ministerraad van 9 januari 2026 werd de eerste concrete informatie hierover vrijgegeven.
De Nationale Arbeidsraad gaf advies over het voorontwerp van wet tot wijziging van diverse bepalingen betreffende het Mobiliteitsbudget. De adviesvraag dateert van 26 januari 2026, het uiteindelijke advies werd gepubliceerd op 29 april 2026.
In dit advies gaat het niet enkel over het verplicht maken van het Mobiliteitsbudget. Er worden ook belangrijke wijzigingen voorgesteld op drie domeinen.
Ministerraad januari 2026
Naar aanleiding van de Ministerraad van 9 januari 2026 werd de eerste concrete informatie over het verplicht mobiliteitsbudget vrijgegeven. Het Mobiliteitsbudget zal door werkgevers systematisch als mogelijkheid moeten worden aangeboden aan werknemers die recht hebben op een bedrijfswagen.
Maar dan komen er alweer uitzonderingen op de regel. De volgende werkgevers zullen niet verplicht zijn om een Mobiliteitsbudget aan te bieden in ruil voor de bedrijfswagen:
- de werkgever die een informatie- en raadplegingsprocedure doorloopt in het kader van collectief ontslag met sluiting van de onderneming
- de werkgever die als onderneming in moeilijkheden wordt erkend
- de werkgever die tijdens de referentieperiode gemiddeld minder dan 15 werknemers tewerkstelt
- de werkgever die gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerkstelt tijdens de referentieperiode, en dit tot 31 december 2027
Er zou bovendien worden voorzien in de mogelijkheid voor de werkgever om bepaalde werknemers te verplichten om sowieso te opteren voor pijler 1 (= emissievrij voertuig), op basis van criteria die verband houden met de aard van de functie en de legitieme belangen van de onderneming. Deze criteria mogen niet discriminerend zijn en moeten het proportionaliteitsbeginsel naleven.
Advies CRB en NAR 29 04 2026
Het Advies omvat 3 grote krachtlijn:
1. Vereenvoudiging op 5 domeinen
2. Besteding in pijler 2: terugbetaling van huur of lening
3. Besteding in pijler 2: overleg op ondernemingsniveau
1. Vereenvoudiging op 5 domeinen
De Raden formuleren een aantal voorstellen om het systeem te vereenvoudigen:
1. Duidelijkheid rond toepassingsgebied voor kleinere werkgevers
Er is nood aan meer duidelijkheid over de uitsluiting van de verplichting voor kleinere werkgevers, evenals over de latere inwerkingtreding voor werkgevers tot 50 werknemers.
2. Vereenvoudiging van de TCO-berekening
De berekening van de Total Cost of Ownership moet eenvoudiger worden.
Wanneer gekozen wordt voor TCO op basis van werkelijke kosten, is het meenemen van een gemiddelde over 4 jaar te belastend. Dit wil men beperken tot 2 jaar.
Bij de forfaitaire TCO-berekening voor leasing worden momenteel ook kosten zoals verbruik en onderhoud opgenomen op basis van een 3-jarig gemiddelde. De Raden stellen dat bepaalde beperkte kosten (zoals carwash en parking) kunnen worden weggelaten omdat ze een disproportionele administratieve last vormen in verhouding tot hun impact.
3. Uitzondering voor mobiele functies
Voor bepaalde functies is een niet-elektrische of nulemissiewagen nog noodzakelijk, bijvoorbeeld door beperkte autonomie, onvoldoende laadinfrastructuur of de aard van de functie (zoals handelsvertegenwoordigers, thuishulp- en zorgfuncties).
De Raden vragen daarom om werkgevers tot eind 2029 de mogelijkheid te geven om duidelijk afgebakende categorieën van werknemers uit te sluiten van het Mobiliteitsbudget. Dit zou gelden voor mobiele functies waarvoor het gebruik van een wagen essentieel is. Deze tijdelijke maatregel zou in 2029 worden geëvalueerd.
4. Zero-emissie en deelmobiliteit
Sinds 1 januari 2026 geldt voor deelauto’s en huurauto’s met chauffeur binnen pijler 2 het zero-emissiecriterium. Voor taxi’s en huurauto’s zonder chauffeur geldt dit niet.
Dit leidt tot inconsistenties: bijvoorbeeld een verhuiswagen die via het Mobiliteitsbudget wordt gehuurd, moet niet elektrisch zijn.
Daarnaast is het moeilijk om te controleren of deelwagens effectief emissievrij zijn. Omdat het aanbod van elektrische deelwagens nog beperkt is (ongeveer 29%) en controle problematisch is, dreigt autodelen in de praktijk uitgesloten te worden als bestedingsmogelijkheid, hoewel het net een duurzame vorm van mobiliteit is.
5. Actualisering van de website mobiliteitsbudget.be
De Raden vragen dat de website www.mobiliteitsbudget.be met FAQ systematisch wordt bijgewerkt bij elke wijziging van het wettelijk kader. Daarnaast pleiten ze voor een herwerking van de website om de gebruiksvriendelijkheid te verbeteren.
2. Besteding in pijler 2: terugbetaling van huur of lening
Een zeer populaire bestedingsmogelijkheid binnen pijler 2 is de terugbetaling van huur of lening voor werknemers die binnen een straal van 10 km van hun werk wonen.
Wanneer werknemers voldoende van thuis werken, hanteert de overheid een tolerantie: de woonplaats kan als normale plaats van tewerkstelling worden beschouwd, zelfs als in de arbeidsovereenkomst een andere werkplaats is opgenomen. In dat geval kan de werknemer het Mobiliteitsbudget gebruiken voor de terugbetaling van huur of lening.
De bedrijfswagen is in veel gevallen een vorm van loonoptimalisatie. Wie werknemers wil overtuigen om de wagen in te ruilen, moet een volwaardig alternatief aanbieden. Voor veel werknemers is de financiering van huur of lening zo’n alternatief.
De Raden stellen nu echter:
“Teneinde zowel het onbedoelde gebruik van het Mobiliteitsbudget voor loonoptimalisatiedoeleinden tegen te gaan als ongewenste effecten op de woningmarkt te vermijden, vragen de Raden om het inbrengen van huisvestingskosten te beperken tot maximum 50% van het Mobiliteitsbudget.”
Met andere woorden: men wil de bedrijfswagen als vorm van loonoptimalisatie vervangen, maar tegelijk vermijden dat dit leidt tot een andere vorm van optimalisatie via huisvesting.
Belangrijk: deze beperking zou enkel gelden voor nieuw toegekende mobiliteitsbudgetten vanaf de inwerkingtreding van de wet. Dit kan dus een relevant moment zijn om niet te wachten met de implementatie van het systeem.
3. Besteding in pijler 2: overleg op ondernemingsniveau
Volgens het huidige wettelijke kader volstaat het voor werkgevers om in pijler 2 minstens één bestedingsmogelijkheid aan te bieden om in regel te zijn.
De Raden wijzen er echter op dat een louter minimale invulling het risico inhoudt dat het Mobiliteitsbudget zijn doel mist. Een te beperkt aanbod kan contraproductief werken en onvoldoende bijdragen aan de beoogde modal shift richting duurzamere vervoerskeuzes.
Daarom benadrukken zij dat het aanbod binnen pijler 2 niet alleen wettelijk correct moet zijn, maar ook voldoende aantrekkelijk en relevant om werknemers effectief te stimuleren om de bedrijfswagen in te ruilen voor alternatieven.
Werkgevers worden dan ook sterk aangemoedigd om hierover op ondernemingsniveau in dialoog te gaan met hun werknemers. Zo kunnen de bestedingsmogelijkheden beter worden afgestemd op de concrete mobiliteitsnoden.
Tot slot geven de sociale partners aan dat zij deze evolutie zullen blijven opvolgen en in 2029 zullen evalueren. Daarnaast wordt gewerkt aan een specifieke NAR-aanbeveling om ondernemingen te ondersteunen bij dit overleg rond pijler 2.
Meer lezen over de komende wijzigingen van het mobiliteitsbudget ?


